Grapje: web 2.0 logo maker
BrickmeetsByte.png)
Is je ook al opgevallen dat de meeste Web 2.0 logo’s er allemaal hetzelfde uitzien? Alex P heeft een Web 2.0 logo creator gemaakt als parodie. Ik vind het wel grappig eigenlijk.
BrickmeetsByte.png)
Is je ook al opgevallen dat de meeste Web 2.0 logo’s er allemaal hetzelfde uitzien? Alex P heeft een Web 2.0 logo creator gemaakt als parodie. Ik vind het wel grappig eigenlijk.
Aldus de spitse titel van een artikel van Emarkter over de onbekendheid het fenomeen RSS in de VS. Al eerder schreef ik erover dat er een kloof is tussen de geeks en de non-techno marketeers.
ook de rest van het technische jargon is relatief onbekend:
Een opmerkelijk bericht in de Telegraaf van vanochtend. Daarin wordt verteld over nog niet gepubliceerde cijfers van onderzoeksbureau GFK Panelservices. Deze tonen aan dat de teruggang van intermediairs in de verzekeringsmarkt stabiliseert. Reden is de snelle aanpassing van de intermediairs aan de nieuwe manier van zakendoen door internet in hun adviespraktijk te integreren. Volgens het artikel wordt 25% van de hypotheken via internet gesloten. Ik geloof daar overigens niets van. Volgens mij ligt dat getal rond de 6%, maar dat terzijde.
Het artikel beschrijft de nieuwe verzekeringsadviseur die vanuit het dorp het gehele land kan bedienen. En suggereert dat daarmee het tij voor de adviseurs gekeerd kan worden. En daar raak je vervolgens een interessant thema, dat ik zelf maar beschrijf als het prisoners dilemma van de vezekeringsmaatschappijen:
Je hebt een bekend merk nodig om in de financiele dienstverlening (direct) te kunnen verkopen. De intermediaire verzekeringsmaatschappijen zijn bang voor het kanaalconflict en wagen zich er niet aan om onder hun bekende (en dus betrouwbare naam) direct te gaan verkopen. Immers hun distributiekanaal wordt dan boos en dreigt met een verkoopstaking.
Een interessant artikel op CMOMagazine.com over het online mond tot mond marketing vehicle van Procter and Gamble, Tremor. Het behandelt uitvoerig de aanpak die zij hanteren om Connectors binnen te halen en te selecteren:
A connector, by contrast, is anyone—even the last person to find out about something—who always taps the nearest shoulder to point out a new purchase or a cool song or TV show or movie. They are people with “really broad and deep social networks and a deep propensity to want to talk about ideas,” Knox says.
Because the success of a Tremor campaign ultimately hangs on the lips (or the keystrokes) of these minions, P&G spends a lot of time developing ways to identify them. The first step is to draw teens to Tremor.com. Once on the site, visitors are prompted with questions (such as, “How many people do you talk to on a daily basis?” and “How do you feel about buying new products?) that screen for eight character traits. Knox shares what he calls the three primary characteristics: inquisitiveness, connectedness and persuasiveness. A typical connector, for example, will have 150 to 200 names on her instant messaging buddy list.
At this stage, the door swings open for roughly 15 percent of applicants, who are greeted as new Tremor members. The rest get a polite, “Thank you for your interest in Tremor. Unfortunately, we have enough applicants at this time.” The chosen ones are then put through what Knox refers to, with an insider’s apology, as “boot camp.” Tremor baits the connector candidates with a series of ideas and opportunities: “Think like a Hollywood Heavyweight,” exhorts the subject line of one Tremor e-mail, for instance, which asks for teen input on a new idea for a movie.
Meanwhile, P&G staff watch anonymously, behind the curtain of the Internet, to see whether the teens’ actual behavior matches their claimed behavior. In short, what do they do with their first exclusive morsel? What follows remains part of Tremor’s secret sauce. Between 8 percent and 10 percent of the original applicants will attain connector status (or, typically, 1 percent of a target audience.) After working their way into the inner sanctum, these official Tremor members are unaware that they are still under evaluation. It’s a detail that Knox admits to readily but which casts a small shadow on Tremor’s claims of transparency—perhaps the main point of contention in any word-of-mouth campaign.
Na mijn oproep voor literatuur over kanaalconflicten werd ik attent gemaakt op het initatief van het NLCW. NLCW is een afkorting voor een branche-organisatie voor Nederlandse computerwinkeliers. In juni 2004 is deze stichting opgericht. Het doel van de NLCW is het behartigen van de belangen van computerwinkels in het algemeen en in het bijzonder van haar leden. In dit kader heeft ze onlangs besloten een zwarte lijst aan te leggen van groothandels die leveren aan internetshops. In diverse media konden we hun betoog lezen:
‘Wij hebben niets tegen voorraadhoudende webshops. Maar wat je nu steeds meer ziet, is dat vrachtwagenchauffeur Piet een webwinkel begint naast z’n gewone baan. In feite levert de distributeur gewoon meteen aan de klant, met als gevolg dat Piet met 1 procent marge genoegen kan nemen.’
De klant is uiteindelijk de dupe, meent Klaassen, want service geeft Piets webshop niet. ‘Als er wat is, kan hij nergens terecht. Mail wordt niet beantwoord’, stelt de secretaris. De NLCW wil overleggen met distributeurs over de “verloedering van de branche’‘.
Klaassen hoopt dat de meer dan 175 Nederlandse computerwinkels die bij zijn vereniging zijn aangesloten, onwillige groothandels gaan boycotten. ‘We zien dan wel wat er gebeurt, als ze een maandje niet aan de winkels kunnen leveren.’
Het interessante is dat het een kanaalconflict is op het niveau van distributie. Het gaat hier niet om de fabrikanten die rechtstreeks leveren, maar om de tussenhandel. Wat opvalt is de ongenuanceerdheid waarmee deze club zich afzet tegen hun concurrent.
Lees verder over: Kanaalconflict: de machtstrijd tussen de computerwinkels en piet de vrachtwagenchauffeur...
Bedrijven hebben in het verleden Selfservice voornamelijk ingezet met als belangrijkste doel het sturen van hun klantcontacten naar de goedkope kanalen. Kostenbesparing dus. Beate van Dongen-Crombags en Maud Pinckers van VODW Marketing hebben een onderzoek laten uitvoeren onder de top 500 bedrijven in Nederland. Hieruit blijkt dat op dit moment verhogen van klantgerichtheid de belangrijkste reden is om zelfservice in te zetten. In deze posting citeer ik een aantal zaken.
# Het merendeel van de bedrijven (58%) zet selfservice in om de klantgerichtheid te vergroten.
# Eenderde (37%) van de bedrijven zet selfservice in om de efficiency te vergroten.
# 18% van de bedrijven zet selfservice in om meer omzet te behalen.
Een deel van de ondervraagde bedrijven (24%) geeft aan een combinatie van onderstaande doelen na te streven met de inzet van selfservice.
Bedrijven zijn optimistisch over de mate waarin ze hun doelen realiseren.
* 78% van de bedrijven die selfservice inzetten voor het bieden van extra service geeft aan dat dit doel behaald wordt. Veel bedrijven hebben dus het gevoel dat klanten selfservice als een extra service ervaren.
* Ook bedrijven die selfservice inzetten voor kostenverlaging zijn positief: 69% van deze bedrijven zegt dat er door de inzet van selfservice daadwerkelijk een kostenverlaging heeft plaatsgevonden. Dit is begrijpelijk, het afhandelen van een vraag via een FAQ op de website is duidelijk goedkoper dan een vraag door een persoon van vlees en bloed te laten beantwoorden.
* Over het behalen van de klanttevredenheidsdoelen zijn bedrijven iets minder zeker. De relatie tussen klanttevredenheid en selfservice blijkt in de praktijk moeilijker aan te geven. 45% van de bedrijven geeft aan dit doel te halen of naar verwachting te gaan halen
43% van de ondervraagde bedrijven krijgt door de inzet van selfservice meer klantcontact (slechts 18% krijgt minder klantcontact). Dit kan
Lees verder over: Selfservice: Klantgerichtheid is belangrijker dan kostenbesparing...